Zonder bijen gaat het niet

Bijensterfte houdt niet op bij de grens. Duitsers en Nederlanders proberen daarom samen de ramp te keren die niet alleen voor de beestjes maar ook voor onszelf dreigt. Maar hoe helpt een hommelsymfonie daarbij?

TEKST
Bert Nijmeijer
Alice Düwel

BEELD
Harry Cock

Op De Kruidhof ‘bloeit het heel aardig’, zegt lector bijengezondheid Arjen Strijkstra. De botanische tuin in Buitenpost is voor bijen een snoep warenhuis van 3,5 hectare. Maar buiten Buitenpost beginnen de eeuwig groene velden van de intensieve landbouw, waar alles wat niet aan het eindproduct bijdraagt is geëlimineerd. Geen bij heeft er iets te zoeken, geen insect, geen insectenetende vogel. Wij eten ervan, maar het land is zo dood als een pier.

Een ecosysteem is een complex geheel waarin alles met alles te maken heeft, zegt Jan Willem Zwart, directeur van De Kruidhof. De natuur is een door evolutie afgestelde, cyclische productielijn. Haal je er één onderdeel uit, dan hapert de hele machine.

De bij is een symbool, hét symbool, van bestuiving. Van een beest dat, door gewoon te doen wat het doet, de fabriek draaiende houdt. Bijen komen wat halen, nectar, en wat brengen, bevruchting en bloei voor het nieuwe seizoen. En laat nu net de bij zich bij ons niet meer zo thuis voelen. We zijn te goed in landbouw geworden, te efficiënt. Onze tuinen zijn te betegeld en te netjes. Bijen houden van een lekkere waterzooi. Daarbij wordt het te warm en hebben we de voor honingbijen funeste varroamijt meegenomen van verre reizen. De bijen zoeken hun heil elders of houden gewoon op te bestaan.

Er zijn misschien wel een miljoen soorten bijen, zegt Zwart, op een zaterdagmiddag in oktober. De honingbij is er maar één van. Je hebt de wereld van niet-honingbijen. De schorzijdebij, de klimopzijdebij, de heizijdebij. De koekoeksbij, de zandbij, de metselbij. Allemaal net zo veelzijdig en zo lekker bezig als de namen doen vermoeden. Er zijn insectachtige bijen en bijenachtige insecten. Elke dag sterft er een bijensoort uit, zegt Zwart. Uitgestorven soorten komen niet meer terug. Het gaat maar één kant op.

Bijen zouden de hele tijd op de agenda moeten staan. Hun problematiek is serieus, zegt Zwart. ‘We kunnen niet zonder ze.’ Volgens Dave Goulson, de grote Britse bijenman, zijn we een grens voorbij. We lezen erover in de krant, dat het heel erg is, we zien er documentaires over op tv. Daarna gaan we over tot de orde van de dag; goed dat we zo op de hoogte zijn!

De bijen staan een beetje op de agenda, soms. Zo zijn ze onderdeel van een interregionaal, grensoverschrijdend woonprogramma met manifestaties in Oost-Friesland en ons eigen Friesland. De Botanischer Garten in Oldenburg doet mee, de tuin Öko Werk in Emden, het bijencentrum aan de Duitse kant van het Bourtangermoeras. Bijen zijn ook, onder de omineuze naam Silence of the Bees, onderdeel van de manifestatie Leeuwarden-Fryslân Culturele Hoofdstad 2018.

Zoals in een ecosysteem alles met alles te maken heeft, zo is het ook met het interregionale, culturele bijenprogramma. De universiteit van Oldenburg speelt een rol, Hogeschool Van Hall Larenstein in Leeuwarden, met lector Arjen Strijkstra, en het in Terzool, Friesland gevestigde Nederlands Centrum Bijenonderzoek van onderzoeker Romée van der Zee. Iedereen blaast, of zoemt, zijn partij mee.

De kern is biodiversiteit, zegt Zwart. Zo biodivers als op De Kruidhof is het nergens. Maar een beetje biodiverser dan de biljartlakens van het boerenland helpt ook al. De directeur van de botanische tuin in Oldenburg, de hoogleraar biodiversiteit Dirk Albach, heeft verstand van rode klaver. Hij onderzoekt hoe je die met raaigras kunt laten meegroeien, zodat behalve koeien ook insecten, bijen en vogels van de wei kunnen eten. Je moet de boer meekrijgen, zegt Zwart. De boer heeft een verdienmodel met zijn biljartlakens.

De directeur loopt door zijn tuin, gekleed in een wit imkerpak, waarmee hij, twee meter lang, aan de verschrikkelijke sneeuwman doet denken. We staan stil bij bijzondere planten. Hier: Ricinus communis, de wonderbloem. ‘Daar kun je saringas van maken. Als je hem gaat googlen, kun je de CIA achter je aan krijgen.’ Of hier, de inktviszwam, een naar rottend vlees stinkende, rood-zwarte paddenstoel.

Achter op het terrein staat een opstelling bijenkasten waarin en waaromheen bijen in de najaarszon de laatste najaarswerkzaamheden verrichten, voordat ze zich in de winter binnenskamers terugtrekken in elkaars warmte. Zwart, met nu ook zijn hoofdkap op, haalt er een honingraat uit. Opgewonden gevlieg en gezoem. Het is even uitkijken. Als je één keer bent gestoken, scheid je een stofje uit waar de rest op afkomt.

We lopen terug naar het tuincentrum vooraan in De Kruidhof, dat tuinplanten verkoopt. Ook hier is het een van de laatste dagen voor de wintersluiting. Met bakken en karretjes vol planten melden bezoekers zich in de kassaruimte, die in een tuingebouw is geïmproviseerd. De kassamedewerker merkt op dat de voorruit van je auto vroeger altijd onder de beestjes en vliegjes zat. Nu niet meer.

Buiten staat Jan Willem Zwart in de zon bij een hek. Zonder biodiversiteit, zonder insecten en bijen, heb je geen appels, geen peren en geen kersen, zegt hij, geen groente, geen koffie, helemaal niks. Zonder klavers in de wei geen bijen, en zonder bijen geen grutto’s, die de bijen eten. ‘Dan is de cirkel rond.’

Er zit muziek in bijen

De bijenwereld is soms een wespennest, zegt Arjen Strijkstra, lector bijengezondheid op de Hogeschool Van Hall Larenstein in Leeuwarden. Ja: van de kant van de mensen dan. Je hebt kampen en richtingen die elkaar bestrijden over de vraag of en hoe je de varroamijt, de beruchte bijenziekmaker, moet bestrijden. Je hebt supporters van de buckfastbij, de carnicabij en de zwarte bij. Er zijn ook bijenhouders die zich om het ras niet zo bekommeren, zolang de beestjes maar honing opbrengen. Een meer eensgezind bijenfront zou geen overbodige luxe zijn, gezien de noodtoestand waarin de bij verkeert.

Maar het is ingewikkeld. In het jaar van Leeuwarden-Fryslân 2018 staan op basis- en middelbare scholen in de Eems Dollard Regio, aan beide kanten van de grens, hommelkasten waarin hommels hun hommel-dingen doen. Hun activiteiten worden gemeten en gevolgd met meetapparatuur. Ook neemt die apparatuur hommelgeluiden op, waarmee muziekstudenten uit Leeuwarden en Oldenburg met hulp van een Australische kunstenaar en een hommelgeluid-vertaalprogramma een hommelsymfonie componeren. Die heet ‘B-R(h)apsodie’ of ‘B-Rap’ en valt op 21 juni tegelijkertijd te horen in Oldenburg, Emden en Buitenpost. Hommels zijn geen bijen. Ze zijn groter, dikker, vriendelijker, al heb je ook lieve bijensoorten.

Maar hommels zijn voor schoolpleinen veel geschikter. Een hommelkast is onderhoudsarm. Hommels zijn goedmoedige, vliegende lobbessen. Ze steken niet gauw. Ze kúnnen wel steken, en dan voel je het ook, pas op. Hommelgedrag is goed vergelijkbaar met bijengedrag. En hommels zijn uitstekende bestuivers. In de bebouwde kom zijn ze de ruggengraat van de bestuiving, zegt Strijkstra.

In de tuin van Van Hall Larenstein, in de bijenhoek, staat de eerste hommelkast. Een prototype. Strijkstra tilt het deksel op, we kijken naar binnen. Hommels maken geen raten maar coconnetjes, veel schotser en schever dan de op het oog bijna machinaal gemaakte bijenraten. Ze maken ook honing, waterige honing. In de winter sterft het vijftig tot driehonderd hommels grote volk. Alleen de koningin overleeft.

Kijk, wijst Strijkstra, door dat gaatje gaan de hommels naar binnen. Infrarood-detectoren meten hoeveel erin en er weer uit gaan. Er zit een luchtvochtigheids- en een temperatuurmeter in het kastje, weegapparatuur. De kastjes staan in verschillende omgevingen, om te kijken wat het verband tussen de omgevingsvegetatie en de groei van de coconbal is. De leerlingen van de school helpen met observeren. Een app maakt dat makkelijk te doen.

De tuin van Van Hall is in herfstkleed. Laatbloeiers, verkleurend blad. Straks, na de winter, gaan we kijken hoe het de hommelvolken bevalt op scholen in Noord-Nederland en Noord-Duitsland. In de kasten komen gekochte hommelvolken. Er zijn bedrijven die in hommels doen. ‘Wist je dat we de trostomaten te danken hebben aan commerciële hommels?’, vraagt Strijkstra. ‘Daarvoor hadden we de Wasserbombe.’ We lopen terug naar het gebouw, denkend aan trostomaten en Wasserbomben, en proeven in gedachten het verschil.

Van operadanseres tot bijenkoningin

Ja, de krantenbezorger weet waar die mevrouw van de bijen woont. Daar, in die verbouwde boerderij. Daar huist bijenonderzoeker Romée van der Zee. Het is tevens het adres van het Nederlands Centrum voor Bijenonderzoek, onder leiding van Van der Zee zelf, dat onderzoek doet naar bijensterfte. Ze monitort op locatie, registreert, combineert, rubriceert, verwerkt. In de computer zitten landkaarten van Nederland en Duitsland, met gekleurde stipjes en balletjes: populaties, toe- en afname, trends, ontwikkelingen, verklaringen.

In de tuin staan kasten met honingbijen. Het is september, ze vliegen nog. Dit zijn zwarte bijen, een pittig soort honingbij. Veel imkers prefereren andere bijenrassen, de carnicabij, de buckfastbij. Dat zijn lieve, gedomesticeerde bijen. Te lief, kun je zeggen. Lief voor mensen, en helaas ook voor de varroamijt. De buckfastbij kan er niet tegen. De mijt plant zich voort in het bijenbroed en richt bijenvolken te gronde, indien niet bestreden.

Dat geldt niet voor Apis mellifera mellifera, de zwarte bij. Van der Zee is vóór de zwarte bij. Hij is bestand tegen de varroamijt. Oorspronkelijk kwam de soort op grote schaal in onze streken voor, maar de zwarte bij is weggejaagd uit Nederland en Duitsland. Alleen op Texel komt hij nog in behoorlijke aantallen voor. We moeten een bij als de zwarte beschermen, vindt Van der Zee. Er zijn er steeds minder van. Er moet wat gebeuren, wil de bij overleven.

We zijn in Tersoal, in Friesland. Een mooi dorp. Voor mensen is het er uitstekend toeven, maar voor bijen niet. Alleen in de dorpen vind je nog een handvol imkers. Het Friese en Groningse weidegebied heeft de laagste imkerdichtheid van het land. Het land is van en voor de boeren. Het kleuren- en geurenland dat er ooit lag, ligt omgeploegd onder egaal groene vloerbedekking. De perfecte monocultuur, waaruit alle leven is verbannen.

Bijen zijn een handige indicator voor biodiversiteit, voor hoe het gaat met de natuur in een gebied. Je kunt ze goed volgen. Ze vliegen niet ver weg, drie kilometer hoogstens. Hun kast is hun huis. Waar bijen zijn, zijn andere insecten, zijn vogels. De grutto is in Friesland de Kening fan ’e greide, de weidekoning. De bijen zou je, op hun schaal, met evenveel recht de koninginnen kunnen noemen.

Waar het slecht of goed gaat met de bijen, kun je aflezen aan de gekleurde balletjes op de computerkaartjes: rode, gele, groene. Opvallend is dat het Noorden er op bijengebied niet zo goed voor staat. Er zijn in Nederland tussen zes- en zevenduizend imkers. Een kwart doet aan de monitoring mee: hoeveel volken hadden ze voor de winter, en hoeveel erna?’ In de winter gaat een deel van de bijenvolken dood. Normaal onder de tien procent. Soms is het hoger. Dan is er wat aan de hand.

De sterfte hangt af van de varroamijt en de bestrijding ervan, van het landgebruik rond de  imkerij, van het weer en toxische stoffen. Van der Zee verzamelt gegevens hierover, verwerkt die in een statistisch programma, laat er formules op los. Het is ingewikkeld rekenwerk, resulterend in de gestippelde kaartjes.

Van der Zee deed vroeger een balletopleiding. Ze danste nog bij de opera. Ze zat in de stadsontwikkeling in Amsterdam-Oost, maakte films. Haar werk is te vinden in het Filmmuseum Eye in Amsterdam en in het Centre Pompidou. Nu is ze bijna zeventig, in december helemaal. Ze heeft al meer dan veertig jaar bijen, doet al decennia onderzoek. Het is leuk en belangrijk werk.

In de bijkeuken staan emmers met honing. Van der Zee wintert de bijen in op suiker. Dat gaat de komende weken gebeuren. In de winter vormen de bijen een bol van zestien graden. Als de bijenbol eind februari nog steeds warm is, hebben ze het overleefd. Buiten bekijken we de kasten, de laatste eromheen zwermende bijen. Opgepast. Je moet op de goede plek gaan staan, niet tussen de bij en zijn kast in. De zwarte bij is zoals gezegd een pittige bij.

Dit artikel staat in NB#BesteBuren 2018.